Alle columns
 
 
U kunt zoeken op: ISBN, titel en auteur.
 
Naam
E-mail
 
 
De eerste keer op wielen

Er zijn meer mensen zoals ik, die het ergens in het buitenland voor het eerst doen. Het liefst in een wereldstad als New York of Londen of Berlijn. Misschien is het in de veronderstelling dat we het in een vreemde stad stiekem kunnen doen? De kans om bekenden tegen te komen, lijkt in elk geval kleiner. Misschien ook is het omdat als alles anders is, er nog wel iets vreemds bij kan. Of omdat wereldsteden nu eenmaal uitnodigen om door smalle straatjes te dwalen of over brede boulevards te struinen. Van die drang tot wandelen en rondkijken heb ik in een gemiddelde Nederlandse vinexwijk minder last. In bijvoorbeeld Parijs echter, wil ik flaneren! En flaneren is precies wat ik niet meer kan.

De eerste keer dat ik me in een rolstoel liet voortduwen was in het Italiaanse stadje Lucca. Een mooi stadje en vriendelijk voor rolstoelgebruikers. Er zijn wel veel keitjes, waardoor ik op wielen een beetje hob-hob-hobbel, maar er zijn weinig stoepen en er rijden nauwelijks auto’s. Bovendien zijn er veel charmante Lucchesi die, als ze met een rolstoel worden geconfronteerd, geen ophef maar vanzelfsprekend plaats maken. Nederlanders doen dat nogal eens andersom: ze maken erg veel ophef en erg weinig plaats. Er zijn er zelfs die verstoord kijken als ze de indruk krijgen dat ik voordring en er zijn er die onaangenaam verrast lijken als ik uit de rolstoel opsta en wegloop. ‘Die belazert de kluit,’ laat ik een jongetje zeggen in het boek dat ik schreef over een vrouw die, net als ik, ms heeft.

Toen ik die eerste keer in Lucca een kerk wilde bezoeken, kon de rolstoel niet mee omdat de bewuste kerk begon met trappen. Oude trappen, volgens de reisgids, van marmer en prachtig, maar ik moest ze lopend op en liet de rolstoel dus beneden achter. Toen ik binnen mijn kaarsje had aangestoken en terugkeerde naar de lege stoel, passeerde er een Italiaan die lachend opmerkte: ‘Er is daarbinnen zeker een wonder gebeurd?’ Miracolo. Si!

Tegenwoordig maak ik geregeld gebruik van een rolstoel, ook hier in Nederland. Ik ben de schaamte allang voorbij. Het is niet langer een gehuurde stoel, zoals toen in Lucca, maar eentje die echt helemaal van mij is. Op maat. Ik ontdekte wat vervelend is. Mensen die ongevraagd aan je stoel zitten, bijvoorbeeld. Of de uitlaatpijpen van vrachtwagens die zich, nu ik zit, op neushoogte bevinden. Ik ontdekte ook wat leuk is. Voor een uitverkochte theatervoorstelling zijn er een enkele keer nog wel kaartjes voor de invalidenplekken.

‘Dat is een voordeel,’ zei het meisje van de kaartverkoop opgewekt.

‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Ik had het jaren eerder moeten doen.’

En het flaneert, een rolstoel. Min of  meer. Was ik er door een ongeluk of door iets anders acuuts plotseling in terecht gekomen, dan had ik hem ongetwijfeld gezien zoals anderen hem zien: als beperkend. Nu ik langzamerhand moet inzien dat het mijn benen zijn die me beperken, is een rolstoel ineens bevrijdend.

Miracolo. Si!