Willemien Vereijken schrijft deze week de column
Your memory capacity is almost full; delete files. Het rode waarschuwingslichtje knippert al langer. Ik negeer het. Tot de dag dat dat niet langer kan. Your memory capacity has reached critical limits. Bij het rode lampje voegt zich een hoge, doordringende pieptoon. Het is niet anders, ik klap mijn laptop open en begin de files van het ene systeem naar het andere over te laden. 'Ben je aan het schrijven, mam?' vragen Robbert en Frances. 'Waar gaat het over? Over die draakjes, of ben je bezig met die alchemisten?’ Ze komen bij me aan tafel zitten en kijken nieuwsgierig naar het scherm. ‘Ik schrijf over Ebel, ‘ zeg ik. Daar zijn ze stil van, dat ongewone is voor hen te gewoon. Ze schuiven hun stoelen naar achter en lopen weg. Ik laad maar door, het ene file na het andere zet ik over op mijn laptop. Na zes weken is mijn memory leeg, alles is eruit en het staat op een klein USB stickje, een verhaal van bijna tien jaren.
Het stickje ligt op de hoek van de tafel. Ik zit de krant te lezen. Het stickje springt ineens omhoog. Dan ligt het weer stil. Ik gluur ernaar. Het beweegt het opnieuw, bolt op, stuitert en ligt weer stil. Ik kijk ernaar. Ik buig me voorover. Het springt omhoog tegen mijn neus en dat doet pijn. Ik zucht en stop het in de computer. Ik print het verhaal. Ik trek het stickje eruit en leg het weer op de hoek van de tafel. Het ligt daar stil en tevreden. Maar nu is die stapel A4tjes er. Ik leg ze in een hoekje van de klerenkast. Ze ritselen. Ik negeer het. Ze knisperen. Ik negeer ze. Dan bonken ze tegen de deur van de kast. ‘Wat is dat voor een herrie,’ zegt Bob geërgerd. ‘Zit poes Mimi in de kast? Laat haar er even uit. Ik kan niet slapen van dat lawaai.’ ‘Het is een boek over Ebel,’ zeg ik verontschuldigend. ‘Wat moet dat in de klerenkast,’ moppert Bob. ‘Ik wilde het niet meer zien,’ zeg ik. Er klinkt een keiharde bonk in de kast. De bonk echoot door de stille nacht door de muren naar alle buren. Bob zucht hard. Ik sta op en pak het stapeltje uit de hoek van de kast. Er waait een zuchtje voorjaarswind door het open slaapkamerraam. De papieren bewegen en vleien zich dicht tegen me aan.
Vroeg de volgende ochtend begin ik een speurtocht op Internet. Ik fiets naar de boekenwinkel en bekijk de boeken met andere ogen. Ik kijk naar de kleuren en de vormen, de letters en ik voel voorzichtig aan het papier. Het lijkt alsof ik opnieuw een crèche uitzoek voor een kleintje dat ik het allerliefst heel dicht bij me houd.. Uiteindelijk vind ik wat ik zoek. Ik prop de stapel papieren in een grote envelop. Ik doe Sam aan de riem en we lopen naar de brievenbus. Ik controleer nog een keer het adres: Uitgeverij Artemis, Amsterdam. Dan geef ik een duwtje en de envelop verdwijnt in de gapend zwarte mond van de brievenbus.
Willemien Vereijken schreef Het syndroom van Ebel |